United Nations Interim Force in Lebanon

Nederlandse betrokkenheid: 1979-1985
Krijgsmachtdeel: landmacht, marechaussee
Totale aantal betrokken militairen: 8.000

Achtergrond
Na de vestiging van de staat IsraŽl in 1948 weken grote aantallen Palestijnen uit naar Libanon. De grens werd in het zuiden bepaald door de Libanees-IsraŽlische wapenstilstandslijn van 1949. Door toenemende spanningen tussen moslims en de (maronitisch-)christelijke bevolking, brak in 1975 een burgeroorlog uit in Libanon. Het overheidsapparaat functioneerde door de opstand niet meer, maar onder druk van de Arabische Liga kwam er in 1976 een voorlopig einde aan de burgeroorlog.

De door IsraŽl gesteunde christelijke milities en de PLO bleven elkaar bestrijden wat resulteerde in bloedige aanslagen. Dit was voor IsraŽl aanleiding in te grijpen. Medio maart 1978 werd het zuiden van Libanon bezet tot aan de rivier Litani. Libanon tekende hierop protest aan bij de Veiligheidsraad. De Veiligheidsraad besloot (in resolutie 426 dd 19 maart 1978) een vredesmacht (United Nations Interim Force in Lebanon) op te richten met een omvang van 6.000 militairen. Frankrijk, Nepal, en Noorwegen zegden troepen toe, Nigeria en Senegal zouden volgen. IsraŽl vormde echter een tien kilometer brede bufferzone (onder leiding van de christelijke milities van Haddad) in het zuiden van Libanon waar nauwelijks UNIFIL-militairen werden toegelaten. Na juni 1982 werd het mandaat aangepast waardoor de troepen zich concentreerden op het beschermen van de bevolking en het verlenen van humanitaire hulp aan ontelbare naar hun land terugkerende Libanese en Palestijnse vluchtelingen.
Nederlandse deelname
Aangezien Frankrijk en Iran hun UNIFIL-troepen wilden terugtrekken uit Libanon, vroeg de VN in januari 1979 bij de Nederlandse regering om een pantserinfanterie bataljon voor UNIFIL. De ministerraad stemde in en 'Dutchbatt' zou aanvankelijk voor de periode van een jaar worden ingezet. In eerste aanleg gingen 832 personen, inclusief het Nederlands personeel bij het hoofdkwartier, een detachement marechaussees, een geneeskundig detachement, een verzorgingspeloton en een geniepeloton. Aan Dutchbatt werd overigens ook vanaf april 1979 een peloton van het Libanese regeringsleger toegevoegd. De bewapening van Dutchbatt bestond uit drie infanterie pelotons met witte YP408 pantservoertuigen, zware 120 mm mortieren, antitankwapens en terugstootloze vuurmonden. Toen de Nederlandse ministerraad na verloop van tijd het gevaar voor de manschappen te groot achtte, werd besloten het bataljon terug te trekken. Op het laatste moment (september 1983) werd ťťn compagnie gehaafd. Dit kreeg de naam Dutch Infantry Company oftewel Dutchcoy (van in totaal 155 personen).

De Nederlanders werden verspreid in het toegewezen gebied en ingezet bij observatieposten, luisterposten, roadblocks en patrouilles. Er waren regelmatig confrontaties met de manschappen van majoor Haddadīs De Facto Forces en met de PLO. Maar door indeling bij de Force Main Reserves kreeg Dutchbatt ook te maken met de inval in Libanon door IsraŽl in juni 1982. Hoewel flink strijd werd geleverd moest UNIFIL in feite toestemmen in de bezetting van het gebied. Uit nieuwe orders voor Dutchbatt bleek dat ze zich niet meer mochten verzetten tegen de IsraŽlische troepen.

Overigens hield Dutchbatt zoveel mogelijk contact met alle partijen en de plaatselijke bevolking. Door het inrichten van poliklinieken kon medische hulp aan inwoners van de omliggende dorpen worden verleend. Er ontstond een betrekkelijke rust in het gebied maar er waren geen reserves en daarom werd door het UNIFIL-hoofdkwartier de Task Force Cedar in het leven geroepen (de ceder staat op de vlag van de republiek Libanon). Zo kon men putten uit organieke reservetroepen. Nederland zegde een compagnie toe die overigens pas in actie mocht komen op het moment dat de regering akkoord was. Op 4 oktober 1985 besloot de regering het Nederlandse aandeel in UNIFIL te beŽindigen. Bij de inzet in Libanon waren in totaal 8.000 militairen betrokken, er vielen negen doden aan Nederlandse zijde. Dutchbatt werd in januari 1986 door de Carnegie-stichting beloond met de Wateler-vredesprijs 1985.
 

Bron: Ministerie van Defensie